irrite
Uiterlijk
| vervoeging van |
|---|
| irriter |
irrite
- eerste en derde persoon enkelvoud onvoltooid tegenwoordige tijd (indicatif présent) van irriter
- eerste en derde persoon enkelvoud tegenwoordige aanvoegende wijs (subjonctif présent) van irriter
- tweede persoon enkelvoud gebiedende wijs (impératif présent) van irriter
| vervoeging van |
|---|
| irritar |
irrite