inwoning

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·wo·ning
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord inwoning inwoningen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

inwoning v

  1. het wonen in een huis dat het tehuis van anderen is
    • Na een jaar inwoning waren we blij onze eigen woning te kunnen betrekken. 

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
72 % van de Vlamingen.

Meer informatie