inverteerde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·ver·teer·de

Werkwoord

vervoeging van
inverteren

inverteerde

  1. enkelvoud verleden tijd van inverteren
    • Ik inverteerde. 
    • Jij inverteerde. 
    • Hij, zij, het inverteerde.