introduceren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·tro·du·ce·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘voorstellen’ voor het eerst aangetroffen in 1650 [1]
  • afgeleid van het Franse introduire (met het voorvoegsel intro- en met het achtervoegsel -eren) [2] [3]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
introduceren
introduceerde
geïntroduceerd
zwak -d volledig

Werkwoord

introduceren

  1. overgankelijk iets nieuws inbrengen of invoeren
    • Dat introduceert ongemerkt een andere foutenbron. 
  2. overgankelijk iemand voor het eerst aan mensen voorstellen
    • Hij werd door de gastvrouwe geïntroduceerd. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen