introduceren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·tro·du·ce·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
introduceren
introduceerde
geïntroduceerd
zwak -d volledig

Werkwoord

introduceren

  1. (overgankelijk) iets nieuws inbrengen of invoeren
    Dat introduceert ongemerkt een andere foutenbron.
  2. (overgankelijk) iemand voor het eerst aan mensen voorstellen
    Hij werd door de gastvrouwe geïntroduceerd.