intrinsiek

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·trin·siek
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘wezenlijk’ voor het eerst aangetroffen in 1656 [1]
  • [2]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen intrinsiek intrinsieker intrinsiekst
verbogen intrinsieke intrinsiekere intrinsiekste
partitief intrinsieks intrinsiekers -

Bijvoeglijk naamwoord

intrinsiek [3]

  1. (medisch) wezenlijk, innerlijk
  2. intrinsieke motivatie: motivatie die vanuit de persoon zelf komt en niet vanuit de omgeving wordt opgedrongen
  3. intrinsieke waarde van munt geld: de waarde van het metaal waarvan de munt gemaakt is
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

83 % van de Nederlanders;
88 % van de Vlamingen.

Verwijzingen