intramuraal

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·tra·mu·raal
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen intramuraal intramuraler intramuraalst
verbogen intramurale intramuralere intramuraalste
partitief intramuraals intramuralers -

Bijvoeglijk naamwoord

intramuraal

  1. binnen de muren (van een ziekenhuis of andere inrichting) plaatshebbend
Antoniemen

Gangbaarheid

83 % van de Nederlanders;
74 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be