intolerantie

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·to·le·ran·tie
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord intolerantie -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

intolerantie v

  1. het negatief reageren op andere meningen, mensen
    • Er is een groeiende intolerantie jegens homo's. 
    • Ik constateer dat de intolerantie in het verkeer toeneemt. 
  2. (medisch) onvermogen om te verdragen
    • Mensen met lactose-intolerantie kunnen geen melk verdragen. 
Synoniemen
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be