internetbelde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·ter·net·bel·de

Werkwoord

vervoeging van
internetbellen

internetbelde

  1. enkelvoud verleden tijd van internetbellen
    • Ik internetbelde. 
    • Jij internetbelde. 
    • Hij, zij, het internetbelde.