interneren/vervoeging
Uiterlijk
| vervoeging van de bedrijvende vorm van interneren | |||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| onbepaalde wijs | kort | lang | |||||||||
| onvoltooid | tegenwoordig | interneren | te interneren | ||||||||
| toekomend | zullen interneren | te zullen interneren | |||||||||
| voltooid | tegenwoordig | hebben geïnterneerd | te hebben geïnterneerd | ||||||||
| toekomend | geïnterneerd zullen hebben | geïnterneerd te zullen hebben | |||||||||
| onvoltooid deelwoord | voltooid deelwoord | gebiedende wijs | aanvoegende wijs | ||||||||
| internerend | geïnterneerd | ev. interneer | mv. verouderd interneert | internere | |||||||
| aantonende wijs | enkelvoud | meervoud | |||||||||
| onvoltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| ik | jij, je | u | gij, ge | hij, zij, het | wij, we | jullie | zij, ze | ||||
| tegenwoordig (o.t.t.) | interneer | interneert | interneert | interneert | interneert | interneren | interneren | interneren | |||
| verleden (o.v.t.) | interneerde | interneerde | interneerde | interneerde | interneerde | interneerden | interneerden | interneerden | |||
| toekomend (o.t.t.t.) | zal interneren | zult/zal interneren | zult/zal interneren | zult interneren | zal interneren | zullen interneren | zullen interneren | zullen interneren | |||
| voorwaardelijk (o.v.t.t.) | zou interneren | zou interneren | zou(dt) interneren | zoudt interneren | zou interneren | zouden interneren | zouden interneren | zouden interneren | |||
| voltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| ik | jij, je | u | gij | hij, zij, het | wij | jullie | zij | ||||
| tegenwoordig (v.t.t.) | heb geïnterneerd | hebt geïnterneerd | hebt/heeft geïnterneerd | hebt geïnterneerd | heeft geïnterneerd | hebben geïnterneerd | hebben geïnterneerd | hebben geïnterneerd | |||
| verleden (v.v.t.) | had geïnterneerd | had geïnterneerd | had geïnterneerd | hadt geïnterneerd | had geïnterneerd | hadden geïnterneerd | hadden geïnterneerd | hadden geïnterneerd | |||
| toekomend (v.t.t.t.) | zal geïnterneerd hebben | zal/zult geïnterneerd hebben | zult/zal geïnterneerd hebben | zult geïnterneerd hebben | zal geïnterneerd hebben | zullen geïnterneerd hebben | zullen geïnterneerd hebben | zullen geïnterneerd hebben | |||
| voorwaardelijk (v.v.t.t.) | zou geïnterneerd hebben | zou geïnterneerd hebben | zou/zoudt geïnterneerd hebben | zoudt geïnterneerd hebben | zou geïnterneerd hebben | zouden geïnterneerd hebben | zouden geïnterneerd hebben | zouden geïnterneerd hebben | |||
| onpersoonlijke lijdende vorm geïnterneerd worden | |||||||||||
| onvoltooid | voltooid | ||||||||||
| tegenwoordig | er wordt geïnterneerd | er is geïnterneerd | |||||||||
| verleden | er werd geïnterneerd | er was geïnterneerd | |||||||||
| toekomend | er zal geïnterneerd worden | er zal geïnterneerd zijn | |||||||||
| voorwaardelijk | er zou geïnterneerd worden | er zou geïnterneerd zijn | |||||||||
| lijdende vorm geïnterneerd worden | |||||||||||
| onbepaalde wijs | kort | lang | |||||||||
| onvoltooid | tegenwoordig | geïnterneerd worden | geïnterneerd te worden | ||||||||
| toekomend | geïnterneerd zullen worden | geïnterneerd te zullen worden | |||||||||
| voltooid | tegenwoordig | geïnterneerd zijn | geïnterneerd te zijn | ||||||||
| toekomend | geïnterneerd zullen zijn | geïnterneerd te zullen zijn | |||||||||
| enkelvoud | meervoud | ||||||||||
| onvoltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| ik | jij, je | u | gij | hij, zij, het | wij | jullie | zij | ||||
| tegenwoordig (o.t.t.) | word geïnterneerd | wordt geïnterneerd | wordt geïnterneerd | wordt geïnterneerd | wordt geïnterneerd | worden geïnterneerd | worden geïnterneerd | worden geïnterneerd | |||
| verleden (o.v.t.) | werd geïnterneerd | werd geïnterneerd | werd geïnterneerd | werdt geïnterneerd | werd geïnterneerd | werden geïnterneerd | werden geïnterneerd | werden geïnterneerd | |||
| toekomend (o.t.t.t.) | zal geïnterneerd worden | zult geïnterneerd worden | zult geïnterneerd worden | zult geïnterneerd worden | zal geïnterneerd worden | zullen geïnterneerd worden | zullen geïnterneerd worden | zullen geïnterneerd worden | |||
| voorwaardelijk (o.v.t.t.) | zou geïnterneerd worden | zou geïnterneerd worden | zou/zoudt geïnterneerd worden | zoudt geïnterneerd worden | zou geïnterneerd worden | zouden geïnterneerd worden | zouden geïnterneerd worden | zouden geïnterneerd worden | |||
| voltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| ik | jij, je | u | gij | hij, zij, het | wij | jullie | zij | ||||
| tegenwoordig (v.t.t.) | ben geïnterneerd | bent geïnterneerd | bent/is geïnterneerd | zijt geïnterneerd | is geïnterneerd | zijn geïnterneerd | zijn geïnterneerd | zijn geïnterneerd | |||
| verleden (v.v.t.) | was geïnterneerd | was geïnterneerd | was geïnterneerd | waart geïnterneerd | was geïnterneerd | waren geïnterneerd | waren geïnterneerd | waren geïnterneerd | |||
| toekomend (v.t.t.t.) | zal geïnterneerd zijn | zult geïnterneerd zijn | zult geïnterneerd zijn | zult geïnterneerd zijn | zal geïnterneerd zijn | zullen geïnterneerd zijn | zullen geïnterneerd zijn | zullen geïnterneerd zijn | |||
| voorwaardelijk (v.v.t.t.) | zou geïnterneerd zijn | zou geïnterneerd zijn | zou/zoudt geïnterneerd zijn | zoudt geïnterneerd zijn | zou geïnterneerd zijn | zouden geïnterneerd zijn | zouden geïnterneerd zijn | zouden geïnterneerd zijn | |||