interen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·te·ren
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

interen [1]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
interen
teerde in
ingeteerd
zwak -d volledig
  1. (financieel) zoveel van een kapitaal gebruiken dat dit kapitaal van jaar tot jaar achteruit gaat
    • De zorgpremie bij DSW stijgt dit jaar met 9,25 euro per maand. Dat is aanzienlijk meer dan de gemiddelde stijging van 3,50 euro die minister Schippers (Zorg, VVD) voorspelde. Dat maakte de verzekeraar dinsdag bekend. DSW deelt de aanname van de minister, dat verzekeraars 2 miljard euro kunnen interen op reserves, niet – vandaar de stijging. Maar dan nog zal 94 euro per jaar per verzekerde uit reserves komen. [2] 
  2. van mensen, dieren of dingen zat ze armer worden of minder omvangrijk
    • Betekenen deze positieve cijfers dat een nieuwe regering straks een grote zak geld ter beschikking heeft om naar hartelust te spenderen? Niet direct. Die 9,1 miljard overschot in 2021 is nog ver weg en komt er enkel als een volgende ministersploeg de hand strak op de knip houdt. Dat zal niet gebeuren. Zelfs het demissionaire kabinet is al aan het interen op de meevallers, zo bleek uit Dijsselbloems voorjaarsnota. [3] 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

75 % van de Nederlanders;
29 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Carola Houtekamer 27 september 2016
  3. NRC 23 juni 2017