intégrer
Uiterlijk
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| intégrer |
intégrais |
intégré |
| eerste groep | volledig | |
intégrer
- overgankelijk toevoegen; een element toevoegen aan een geheel; deel doen uitmaken van
- overgankelijk (wiskunde) integreren [2]
s'intégrer
- wederkerend integreren [3]; zich integreren; in een eenheid opgaan