insturen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·stu·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
insturen
stuurde in
ingestuurd
zwak -d volledig

Werkwoord

insturen [1]

  1. overgankelijk door te zenden bij iemand laten aankomen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen