instuif

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·stuif
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord instuif instuiven
verkleinwoord instuifje instuifjes

Zelfstandig naamwoord

instuif m

  1. informele receptie in iemands woonhuis naar aanleiding van een of andere gelegenheid
  2. evenement bij jeugdclubs, jongerenverenigingen, sportclubs en dergelijke waarbij belangstellenden vrij in en uit kunnen lopen om kennis te maken
  3. feest in een nieuwe woning om die feestelijk in gebruik te nemen, vaak met vrije in- en uitloop
Synoniemen

Werkwoord

vervoeging van
instuiven

instuif

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van instuiven
    • ... dat ik instuif. 

Gangbaarheid

86 % van de Nederlanders;
86 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be