instinker

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·stin·ker
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord instinker instinkers
verkleinwoord instinkertje instinkertjes

Zelfstandig naamwoord

instinker m

  1. een vraag waarbij het uitdrukkelijk de bedoeling is dat de antwoorder een verkeerd antwoord geeft; een misleidende vraag
    • - Hoe dan wel? Volgens het verslag van de Commissie, die NRC uitleg vroeg om de reclame voor de voedseldoos, vond de krant het „vervelend” dat klager de insteker had opgevat als ongevraagd drukwerk, zeg maar als instinker, maar hoopte die op enig begrip voor een industrie in barre tijden. Advertenties en commerciële bijlagen zijn „onmisbaar om kwaliteitsjournalistiek te bieden”.[1] 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. NRC Sjoerd de Jong 27 januari 2017