instemmend

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·stem·mend

Werkwoord

vervoeging van
instemmen

instemmend

  1. onvoltooid deelwoord van instemmen
    • De aandachtig meeluisterende sponsors knikken instemmend. Zij kunnen hem maar wat goed begrijpen. [1] 
    • Van den Brink knikt instemmend. „We hebben het geluk gehad dat alles wat je hoopt te zien, wij ook daadwerkelijk hebben beleefd. Het Noordelijkste puntje van de Noordkaap hebben we bereikt en we hebben het Noorderlicht met eigen ogen mogen aanschouwen. Dat was een hele bijzondere ervaring.” [2] 
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen instemmend instemmender instemmendst
verbogen instemmende instemmendere instemmendste
partitief instemmends instemmenders -

Bijvoeglijk naamwoord

instemmend

  1. van iets dat het wijst op toestemming
    • Hij gaf mij een instemmend knikje. 
Synoniemen


Gangbaarheid

Verwijzingen