instellen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·stel·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
instellen
stelde in
ingesteld
zwak -d volledig

Werkwoord

instellen

  1. (overgankelijk) het op juiste wijze afregelen van een toestel
    Ik heb de ontvanger ingesteld op 231,3 megahertz.
  2. (overgankelijk) het in het leven roepen van een organisatie
    De regering van de Nederlandse Antillen is ingesteld met het Statuut.
  3. (overgankelijk) het geldig verklaren van een regeling
    Dit verbod is vorige maand ingesteld.
  4. voorbereid zijn op iets
    Daar was ik helemaal niet op ingesteld.
Synoniemen
Vertalingen