inruiming

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·rui·ming
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord inruiming inruimingen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

inruiming v [1]

  1. het vrijhouden of vrijmaken van een plaats voor iets of iemand
    • In 1914 heeft het ministerie van oorlog, na de instelling van een opperbevel, zich de eigen taak wat al te zeer ondergeschikt voorgesteld. Het had geen ervaring en hield zich, voor de beslissingen omtrent het legerbeheer, achter het opperbevel terug. Voor de inruiming der bestuursbemoeiing ten behoeve van een opperbevel, zal het departement van defensie in den vervolge zich tot de eischen der strategie moeten bepalen. [2] 
    • Men zou inruiming van eenige kerkgebouwen in de steden voor de Calvinisten vragen - een gedurfde eisch, waaruit de machtsontwikkeling van de aanhangers der nieuwe leer duidelijk bleek. [3] 

Gangbaarheid

86 % van de Nederlanders;
56 % van de Vlamingen.


Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. (1931)– [tijdschrift] Gids, De L.M.A. von Schmid Eischen en methoden
  3. De Standaard Geschiedenis van het Nederlandsche volk. Deel 2(1924)–P.J. Blok Het voorspel