inruil

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·ruil

Werkwoord

vervoeging van
inruilen

inruil

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van inruilen
    • ... dat ik inruil. 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be