inplant

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·plant
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord inplant -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

inplant m

  1. jonge aanplant
  2. implantatie
  3. manier waarop iets geplaatst is
Hyponiemen

Werkwoord

vervoeging van
inplanten

inplant

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van inplanten
    • ... dat ik inplant. 
  2. (in een bijzin) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van inplanten
    • ... dat jij inplant. 
  3. (in een bijzin) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van inplanten
    • ... dat hij inplant. 
vervoeging van
inplannen

inplant

  1. (in een bijzin) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van inplannen
    • ... dat jij inplant. 
  2. (in een bijzin) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van inplannen
    • ... dat hij inplant. 

Gangbaarheid

73 % van de Nederlanders;
71 % van de Vlamingen.