inperken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·per·ken
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

inperken

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
inperken
perkte in
ingeperkt
zwak -t volledig
  1. begrenzen, binnen de perken houden, in bedwang houden
    • De woningmarkt is aangetrokken en de kostenstijgingen in de zorg zijn ingeperkt. Het begrotingstekort daalt volgend jaar naar 0,5 procent en ook de staatsschuld daalt snel richting 60 procent van ons nationaal inkomen. [1] 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Troonrede 2016