inpeperen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·pe·pe·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘betaald zetten’ voor het eerst aangetroffen in 1564 [1]
  • samenstelling van  in  en  peper  met het achtervoegsel -en [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
inpeperen
peperde in
ingepeperd
zwak -d volledig

Werkwoord

inpeperen

  1. overgankelijk bestrooien van voedingsmiddelen met peper
    • Heb je het hamlapje al ingepeperd? 
  2. (bij een discussie) iemand de les lezen.
  3. ditransitief iemand ergens voor bestraffen
    • Hij heeft dat flink ingepeperd gekregen. 
Verwante begrippen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen