inmaak

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·maak

Werkwoord

vervoeging van
inmaken

inmaak

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van inmaken
    • ... dat ik inmaak. 

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be