inlezen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·le·zen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
inlezen
las in
ingelezen
klasse 5 volledig

Werkwoord

inlezen

  1. overgankelijk door een leesproces informatie inbrengen
    In de jaren 70 moest je nog ponsbanden en -kaarten inlezen.
  2. wederkerend door veel over een onderwerp te lezen zich bekendmaken met een kennisterrein
    Hij had zich onvoldoende daarover ingelezen en zakte als een baksteen voor zijn examen.

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.