inklimmen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·klim·men
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
inklimmen
klom in
ingeklommen
klasse 3 volledig
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

inklimmen

  1. ergatief klimmend betreden
    • Zij waren uit angst een boom ingeklommen. 

Gangbaarheid

81 % van de Nederlanders;
72 % van de Vlamingen.