initiëren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ini·tië·ren, ini·ti·eren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
initiëren
initieerde
geïnitieerd
zwak -d volledig

Werkwoord

initiëren overgankelijk

  1. inwijden, invoeren
  2. het initiatief nemen (tot iets), (iets) in gang zetten
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
96 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl