inhaling

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·ha·ling
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord inhaling inhalingen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

inhaling v [1]

  1. feestelijke verwelkoming
    • Hij werd, den 15den Maart van dat jaar zijne geboortestad bezoekende, door den magistraat plegtig, onder het luiden der klokken en het losbranden van het kanon, binnengehaald, op welke feestelijke inhaling, door Nicolaus Lilius à Westerhoven, inwoner van Delft, doch van Bohemen geboortig, een Latijnsch vers gemaakt is. [2] 
    • Voor die inhaling? Wel, mensch, er komen hier zoo weinig rijke menschen in den Hemel, dat 't muziek uitgaat elken keer dat er een binnenkomt. [3] 


Gangbaarheid

78 % van de Nederlanders;
88 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 4(1858)–A.J. van der Aa Christophorus Delphicus Graaf van Dhona
  3. De Vlaamsche vertelselschat. Deel 2(1927)–Victor de Meyere De rijken in den hemel