ingangsexamen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·gangs·exa·men
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ingangsexamen ingangsexamens
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

ingangsexamen o [1]

  1. een examen waarbij de deelnemer na het voldoende afleggen wordt toegelaten tot bijvoorbeeld een opleiding of beroep of club
    • „Van de jazzopleiding in Gent verhuisde ik naar Rotterdam, waar ik sinds drie jaar een opleiding in songwriting volg. De eerste keer dat ik in Rotterdam kwam, voelde ik me echt niet op mijn gemak. Om zeven uur ’s ochtends reden we de stad binnen voor mijn ingangsexamen en de stad leek me heel koud, heel betonnerig. Maar mijn mening over Rotterdam is veranderd. Ik weet nu dat de sfeer wordt gemaakt door de mensen in de stad.” [2] 
    • Door het ingangsexamen steeg het slaagpercentage aan Vlaamse universiteiten bij de opleiding tandarts tot 90 procent, met beter opgeleide tandartsen als resultaat. [3]  
    • 'School ging absoluut niet, met veertien kon ik naar de Academie voor Schone Kunsten - beeldhouwen, etsen, graveren - in afwachting van het ingangsexamen voor de Studio Teirlinck, de toneelschool. Net als mijn oudere broer Dirk die ik mateloos bewonderde. [4] 
Synoniemen
Antoniemen

Meer informatie

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Merlijn Kerkhof 15 augustus 2015
  3. de Standaard 08.11.2014
  4. Volkskrant MARIAN BUIJS 5 januari 1996