informaticus

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·for·ma·ti·cus
enkelvoud meervoud
naamwoord informaticus informatici
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

informaticus m

  1. (beroep) beoefenaar van de informatica
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie