Naar inhoud springen

informaticus

Uit WikiWoordenboek
  • in·for·ma·ti·cus
  • met het achtervoegsel -icus
enkelvoud meervoud
naamwoord informaticus informatici
verkleinwoord

deinformaticusm

  1. (beroep) beoefenaar van de informatica
96 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[1]
  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be