infaust

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·faust
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen infaust infauster (infaustst) *
verbogen infauste infaustere (infaustste) *
partitief infausts infausters -

Bijvoeglijk naamwoord

infaust

  1. (medisch) ongunstig
    • Een infauste prognose is dat de ziekte een dodelijke afloop heeft 
Opmerkingen
  • Omdat "-stst" moeilijk is uit te spreken en te verstaan kan voor de overtreffende trap beter de omschrijving "meest infaust(e)" worden gebruikt.[1][2]
Vertalingen

Gangbaarheid

Verwijzingen