inertie

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·er·tie
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘traagheid’ voor het eerst aangetroffen in 1650 [1]
  • afgeleid van inert met het achtervoegsel -ie [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord inertie -
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

inertie v

  1. (natuurkunde) (scheikunde) traagheid
Vertalingen

Gangbaarheid

71 % van de Nederlanders
84 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen