indruisen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·drui·sen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
indruisen
druiste in
ingedruist
zwak -t volledig

Werkwoord

indruisen

  1. inergatief ~ tegen tegenstrijdig zijn met iets, een regel overtreden
    • Die zin druist ook in tegen mijn taalgevoel. 

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.