indoor

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·door
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen indoor
verbogen
partitief indoors

Bijvoeglijk naamwoord

indoor

  1. binnen een gebouw; overdekt plaatsvindend
    • Hoe dan ook, er komen in rap tempo schaaltjes op tafel en wij poten stevig aan om te proeven wat deze indoor Aziëmarkt te bieden heeft. [3]
    1. (sport) binnen een gebouw beoefend; overdekt plaatsvindend (als onderscheid met de buiten beoefende variant)
      • Alexander Brouwer en Christiaan Varenhorst hebben zondag hun nationale titel geprolongeerd bij het Nederlands kampioenschap indoor. De ervaren beachvolleyballers, die speciaal voor het NK weer een duo vormden, ontdeden zich in twee sets van de tieners Mees Blom (18) en Ruben Penninga (19). Het werd 21-17 en 21-19. [4] 
Antoniemen
Opmerkingen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie

Verwijzingen


Engels

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw

Bijvoeglijk naamwoord

indoor

  1. binnen een gebouw
Overerving en ontlening