individualiseren
Uiterlijk
- in·di·vi·du·a·li·se·ren
- afgeleid van het Franse individualiser (met het achtervoegsel -iseren) [1]
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| individualiseren |
individualiseerde |
geïndividualiseerd |
| zwak -d | volledig | |
individualiseren
- afzonderen, afzonderlijk aanwijzen.
- iets op zichzelf staand beschouwen en zodanig behandelen.
1.
- Het woord individualiseren staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.