indachtig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·dach·tig
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het verouderde indacht met het achtervoegsel -ig
stellend
onverbogen indachtig
verbogen (alleen
predicaat)

Bijvoeglijk naamwoord

indachtig

  1. volledig iets beseffend
    • Zijn reputatie indachtig ging het meisje niet op de voorstellen van de rijke man in. 

Gangbaarheid

73 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.