incorporeren/vervoeging
Uiterlijk
| vervoeging van de bedrijvende vorm van incorporeren | |||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| onbepaalde wijs | kort | lang | |||||||||
| onvoltooid | tegenwoordig | incorporeren | te incorporeren | ||||||||
| toekomend | zullen incorporeren | te zullen incorporeren | |||||||||
| voltooid | tegenwoordig | hebben geïncorporeerd | te hebben geïncorporeerd | ||||||||
| toekomend | geïncorporeerd zullen hebben | geïncorporeerd te zullen hebben | |||||||||
| onvoltooid deelwoord | voltooid deelwoord | gebiedende wijs | aanvoegende wijs | ||||||||
| incorporerend | geïncorporeerd | ev. incorporeer | mv. verouderd incorporeert | incorporere | |||||||
| aantonende wijs | enkelvoud | meervoud | |||||||||
| onvoltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| ik | jij, je | u | gij, ge | hij, zij, het | wij, we | jullie | zij, ze | ||||
| tegenwoordig (o.t.t.) | incorporeer | incorporeert | incorporeert | incorporeert | incorporeert | incorporeren | incorporeren | incorporeren | |||
| verleden (o.v.t.) | incorporeerde | incorporeerde | incorporeerde | incorporeerde | incorporeerde | incorporeerden | incorporeerden | incorporeerden | |||
| toekomend (o.t.t.t.) | zal incorporeren | zult/zal incorporeren | zult/zal incorporeren | zult incorporeren | zal incorporeren | zullen incorporeren | zullen incorporeren | zullen incorporeren | |||
| voorwaardelijk (o.v.t.t.) | zou incorporeren | zou incorporeren | zou(dt) incorporeren | zoudt incorporeren | zou incorporeren | zouden incorporeren | zouden incorporeren | zouden incorporeren | |||
| voltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| ik | jij, je | u | gij | hij, zij, het | wij | jullie | zij | ||||
| tegenwoordig (v.t.t.) | heb geïncorporeerd | hebt geïncorporeerd | hebt/heeft geïncorporeerd | hebt geïncorporeerd | heeft geïncorporeerd | hebben geïncorporeerd | hebben geïncorporeerd | hebben geïncorporeerd | |||
| verleden (v.v.t.) | had geïncorporeerd | had geïncorporeerd | had geïncorporeerd | hadt geïncorporeerd | had geïncorporeerd | hadden geïncorporeerd | hadden geïncorporeerd | hadden geïncorporeerd | |||
| toekomend (v.t.t.t.) | zal geïncorporeerd hebben | zal/zult geïncorporeerd hebben | zult/zal geïncorporeerd hebben | zult geïncorporeerd hebben | zal geïncorporeerd hebben | zullen geïncorporeerd hebben | zullen geïncorporeerd hebben | zullen geïncorporeerd hebben | |||
| voorwaardelijk (v.v.t.t.) | zou geïncorporeerd hebben | zou geïncorporeerd hebben | zou/zoudt geïncorporeerd hebben | zoudt geïncorporeerd hebben | zou geïncorporeerd hebben | zouden geïncorporeerd hebben | zouden geïncorporeerd hebben | zouden geïncorporeerd hebben | |||
| onpersoonlijke lijdende vorm geïncorporeerd worden | |||||||||||
| onvoltooid | voltooid | ||||||||||
| tegenwoordig | er wordt geïncorporeerd | er is geïncorporeerd | |||||||||
| verleden | er werd geïncorporeerd | er was geïncorporeerd | |||||||||
| toekomend | er zal geïncorporeerd worden | er zal geïncorporeerd zijn | |||||||||
| voorwaardelijk | er zou geïncorporeerd worden | er zou geïncorporeerd zijn | |||||||||
| lijdende vorm geïncorporeerd worden | |||||||||||
| onbepaalde wijs | kort | lang | |||||||||
| onvoltooid | tegenwoordig | geïncorporeerd worden | geïncorporeerd te worden | ||||||||
| toekomend | geïncorporeerd zullen worden | geïncorporeerd te zullen worden | |||||||||
| voltooid | tegenwoordig | geïncorporeerd zijn | geïncorporeerd te zijn | ||||||||
| toekomend | geïncorporeerd zullen zijn | geïncorporeerd te zullen zijn | |||||||||
| enkelvoud | meervoud | ||||||||||
| onvoltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| ik | jij, je | u | gij | hij, zij, het | wij | jullie | zij | ||||
| tegenwoordig (o.t.t.) | word geïncorporeerd | wordt geïncorporeerd | wordt geïncorporeerd | wordt geïncorporeerd | wordt geïncorporeerd | worden geïncorporeerd | worden geïncorporeerd | worden geïncorporeerd | |||
| verleden (o.v.t.) | werd geïncorporeerd | werd geïncorporeerd | werd geïncorporeerd | werdt geïncorporeerd | werd geïncorporeerd | werden geïncorporeerd | werden geïncorporeerd | werden geïncorporeerd | |||
| toekomend (o.t.t.t.) | zal geïncorporeerd worden | zult geïncorporeerd worden | zult geïncorporeerd worden | zult geïncorporeerd worden | zal geïncorporeerd worden | zullen geïncorporeerd worden | zullen geïncorporeerd worden | zullen geïncorporeerd worden | |||
| voorwaardelijk (o.v.t.t.) | zou geïncorporeerd worden | zou geïncorporeerd worden | zou/zoudt geïncorporeerd worden | zoudt geïncorporeerd worden | zou geïncorporeerd worden | zouden geïncorporeerd worden | zouden geïncorporeerd worden | zouden geïncorporeerd worden | |||
| voltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| ik | jij, je | u | gij | hij, zij, het | wij | jullie | zij | ||||
| tegenwoordig (v.t.t.) | ben geïncorporeerd | bent geïncorporeerd | bent/is geïncorporeerd | zijt geïncorporeerd | is geïncorporeerd | zijn geïncorporeerd | zijn geïncorporeerd | zijn geïncorporeerd | |||
| verleden (v.v.t.) | was geïncorporeerd | was geïncorporeerd | was geïncorporeerd | waart geïncorporeerd | was geïncorporeerd | waren geïncorporeerd | waren geïncorporeerd | waren geïncorporeerd | |||
| toekomend (v.t.t.t.) | zal geïncorporeerd zijn | zult geïncorporeerd zijn | zult geïncorporeerd zijn | zult geïncorporeerd zijn | zal geïncorporeerd zijn | zullen geïncorporeerd zijn | zullen geïncorporeerd zijn | zullen geïncorporeerd zijn | |||
| voorwaardelijk (v.v.t.t.) | zou geïncorporeerd zijn | zou geïncorporeerd zijn | zou/zoudt geïncorporeerd zijn | zoudt geïncorporeerd zijn | zou geïncorporeerd zijn | zouden geïncorporeerd zijn | zouden geïncorporeerd zijn | zouden geïncorporeerd zijn | |||