incongruentie

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·con·gru·en·tie
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord incongruentie incongruenties
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

incongruentie v

  1. (grammatica) als onderwerp en persoonsvorm niet bij elkaar passen
    • 'Hij gaan weg' is een stijlfout door de incongruentie tussen 'hij' (enkelvoud) en 'gaan' (meervoud). 
  2. (medisch) niet bij- of inelkaar passen
Vertalingen

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.