incidentie

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·ci·den·tie
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord incidentie incidenties
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

incidentie v

  1. het voorkomen
  2. (medisch) het aantal nieuwe gevallen van een ziekte per tijdseenheid, per aantal van de bevolking
Vertalingen

Gangbaarheid

67 % van de Nederlanders;
72 % van de Vlamingen.

Meer informatie