inbusbout

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·bus·bout
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord inbusbout inbusbouten
verkleinwoord inbusboutje inbusboutjes

Zelfstandig naamwoord

inbusbout m

  1. een bout met een binnenzeskant die alleen met een inbussleutel kan worden aan- of losgedraaid

Gangbaarheid

70 % van de Nederlanders;
59 % van de Vlamingen.

Verwijzingen