inbinden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·bin·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
inbinden
bond in
ingebonden
klasse 3 volledig

Werkwoord

inbinden

  1. overgankelijk door stevige omwikkeling bijeenhouden
    • Bind voorlopig dat verwonde been maar stevig in. 
  2. overgankelijk losse geschriften tot een enkel boekwerk verwerken
    • Ik heb de losse nummers van dit jaar in laten binden. 
  3. inergatief minder heftig te keer gaan
    • Na die kordate afwijzing heeft hij toch aardig ingebonden. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.