inbedding

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·bed·ding
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord inbedding inbeddingen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

inbedding v / m

  1. het inbedden

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie