imploderen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • im·plo·de·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
imploderen
implodeerde
geïmplodeerd
zwak -d volledig

Werkwoord

imploderen

  1. ergatief in elkaar ploffen
    • Deze dewar is geïmplodeerd. 
Antoniemen
Verwante begrippen


Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be