implodeerde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • im·plo·deer·de

Werkwoord

vervoeging van
imploderen

implodeerde

  1. enkelvoud verleden tijd van imploderen
    • Ik implodeerde. 
    • Jij implodeerde. 
    • Hij, zij, het implodeerde.