impliceren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • im·pli·ce·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
impliceren
impliceerde
geïmpliceerd
zwak -d volledig

Werkwoord

impliceren

  1. inergatief stilzwijgend ten gevolge hebben
    • Dit impliceerde een verhoging van de lasten. 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Wiktionnaire