immunogeniciteit

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • im·mu·no·ge·ni·ci·teit
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord immunogeniciteit -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

immunogeniciteit m/v

  1. het vermogen om immuniteit te veroorzaken
    • Zijn immunogeniciteit was erg klein. 

Meer informatie