immigrant

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • im·mi·grant
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord immigrant immigranten
verkleinwoord immigrantje immigrantjes

Zelfstandig naamwoord

immigrant m

  1. iemand die zich in een voor hem nieuw land vestigt of recentelijk heeft gevestigd, een inkomend landverhuizer
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Frans

Werkwoord

immigrant

  1. tegenwoordig deelwoord (participe présent) van immigrer

Bijvoeglijk naamwoord

immigrant

  1. van migranten, betrekking hebbend op migranten, migranten-

Zelfstandig naamwoord

immigrant m

  1. landverhuizer, immigrant