imkerden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • im·ker·den

Werkwoord

vervoeging van
imkeren

imkerden

  1. meervoud verleden tijd van imkeren
    • Wij imkerden. 
    • Jullie imkerden. 
    • Zij imkerden.