imiteren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • imi·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
imiteren
imiteerde
geïmiteerd
zwak -d volledig

Werkwoord

imiteren

  1. overgankelijk doen wat iemand anders doet
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen