imitator

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • imi·ta·tor
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord imitator imitatoren
imitators
verkleinwoord imitatortje imitatortjes

Zelfstandig naamwoord

imitator m

  1. iemand die een ander persoon nadoet
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Engels

enkelvoud meervoud
imitator imitators

Zelfstandig naamwoord

imitator

  1. imitator
Synoniemen