ijsbeerden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ijs·beer·den

Werkwoord

vervoeging van
ijsberen

ijsbeerden

  1. meervoud verleden tijd van ijsberen
    • Wij ijsbeerden. 
    • Jullie ijsbeerden. 
    • Zij ijsbeerden.