ijdeltuit

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Sta je nou weer voor de spiegel? Wat ben je toch een ijdeltuit!

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ij·del·tuit
Woordherkomst en -opbouw
  • samenstelling van  ijdel bn "zonder wezenlijke inhoud, met overdreven trots"  en  tuit zn "wufte vrouw" ; in de betekenis van ‘iemand die erg ijdel is’ voor het eerst aangetroffen in 1501 [1][2][3]
enkelvoud meervoud
naamwoord ijdeltuit ijdeltuiten
verkleinwoord ijdeltuitje ijdeltuitjes

Zelfstandig naamwoord

ijdeltuit v / m

  1. (pejoratief) iemand met te veel aandacht en waardering voor het eigen uiterlijk
    • Sta je nou weer voor de spiegel? Wat ben je toch een ijdeltuit! 
    • Oulahsen ziet eruit als een mondaine, westerse vrouw. Chique rok, sieraden, rode lippenstift. Ze is een „een ijdeltuit”, zegt ze. [4]
    • Oud-Ajacied Sjaak Swart (73) vertelt in het internetprogramma Betweters van Hugo Borst en Koert Westerman dat hij een ijdeltuit is en een paar keer per dag in de spiegel gluurt en ook dagelijks twee keer op de weegschaal staat. [5]
  2. (pejoratief) (figuurlijk) iemand met overdreven aandacht en waardering voor het eigen imago
    • „Laten we het even over die Timmermans hebben”, zei Poetin, „die man ergert me. Een ijdeltuit met z’n getwitter en getetter. (…)” [6]

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[7]

Verwijzingen